Vijandige overheid

Bij veel burgers moet inmiddels het gevoel zijn ontstaan dat de overheid zich in toenemende mate vijandig begint te gedragen tegen de eigen bevolking. Voor veel mensen is ‘de overheid’ synoniem aan ‘de regering’ of ‘de politiek’. Dit is maar ten dele waar; de overheid bestaat vooral uit (Rijks-) ambtenaren, de ‘vierde macht’.

Aan die vierde macht wordt, althans dat is de bedoeling, leiding gegeven door het politieke krachtenveld en in het bijzonder de ministers, die de in het Parlement bekokstoofde wensen vertalen naar de ambtelijke praktijk en mogelijkheden. Wie wel eens naar een debat kijkt, zal zich niet onmiddellijk realiseren dat de ministers gedurende een debat worden geadviseerd door ambtenaren die zich elders in het gebouw van de Tweede kamer bevinden. Een debat wordt meestal ook gevolgd door die ambtenaren en zij zullen, op het moment dat de vraag wordt gesteld in het Parlement, zich direct buigen over de vraag of en hoe de minister de vraag (mede namens hen) het beste kan beantwoorden. Uiteindelijk beslist de minister, maar de macht van de ambtenaren over de beantwoording is groot, omdat de minister niet zelden vakinhoudelijk een volslagen onbekende is. Het spel tussen ‘Volksvertegenwoordigers’, de minister en de ambtenaren is belangrijk geworden; wellicht te belangrijk om nog goed bestuur te kunnen leveren.

Partijpolitiek

Voorafgaand aan de vorige verkiezingen (maart 2021) hebben we een inkijkje gekregen hoe partijpolitiek werkt, namelijk bij het CDA. Onder de leden van het CDA werd een referendum georganiseerd, opdat zij konden kiezen voor een nieuwe politiek leider. Er waren een aantal kandidaten en uiteindelijk bleven er twee over voor een laatste ronde: Hugo de Jonge en Pieter Omtzigt. Het referendum zou digitaal worden afgewerkt, niet in de laatste plaats vanwege de coronapandemie en alle daaruit volgende maatschappelijke beperkingen. Het was een publiek geheim dat de partijtop (bestuurders en invloedrijke leden/sponsoren van de partij) een ongeneeslijke voorkeur had voor de intellectueel weinig gewichtige en gemakkelijk beïnvloedbare, voormalig onderwijzer Hugo de Jonge, op dat moment nog weinig vertrouwenwekkend Minister van VWS. De uitslag van het digitale referendum viel met een half procent in het voordeel uit van De Jonge, al vroegen een aanmerkelijk groot aantal stemmers zich af waarom zij de boodschap “bedankt voor uw stem op Hugo de Jonge” kregen, terwijl zij op Omtzigt hadden gestemd. Duidelijkheid kwam er niet: nog voor het onderzoek naar vermeende malversaties waren de digitale sporen onbruikbaar gemaakt voor onderzoek.

Omdat de twijfel over het partijreferendum boven de markt bleef hangen en De Jonge als minister snel aan gezag en vertrouwen verloor, vonden grote sponsoren het beter dat Wopke Hoekstra, op dat moment onopvallend als Minister van Financiën, leider van het CDA zou worden. Aldus geschiedde: De Jonge bleek plotseling te druk met zijn baan en Hoekstra bleek bereid. Waar het meer voor de hand lag om Omtzigt tot fractieleider te benoemen (ook een goede keuze volgens de leden) kozen de partijbonzen ervoor om te benadrukken dat leden bij het CDA compleet niets te vertellen hebben en slechts dienen als contributiebetalers.

Het CDA is daarin niet uniek; vrijwel alle partijen hanteren de regel dat de grootste betalers ook de bepalers zijn en de leden beslist niet. De belangen en voorkeuren van het overgrote deel van de partijleden (dat zijn er in Nederland over alle partijen in totaal slechts iets meer dan 300.000) doen niet ter zake: zij kunnen ergens een aardig baantje krijgen als ze goed hun best doen en verder mogen zij keurig hun mond houden.

Electoraat

Dan blijft nog over het electoraat: alle stemgerechtigden in Nederland en onze landgenoten die tijdelijk in het buitenland werken. Een inmiddels aanzienlijk deel is voorzien van twee paspoorten en naar het zich laat aanzien ligt hun loyaliteit vooral in het land van geboorte of voorouders. Dat is begrijpelijk, maar hun keuze in het stemhokje wordt minder bepaald door het Nederlandse belang en meer door hun eigen belang, in termen van uitkeringen of tegemoetkomingen. Deze groeperingen komen vooral door toedoen van linkse partijen aan hun stemrecht. Met het opdrogen van ‘de arbeiders’ als hun primaire kiezers, bevorderden zij hartstochtelijk de ‘arbeidsmigratie’ en de ‘vluchtelingenopvang’, in de hoop op een nieuwe electorale voorraad. Helaas: de slang beet zich in de staart, want deze allochtonen hebben inmiddels hun eigen partijen opgericht, van waaruit het Nederlandse gratisgeld-assortiment nog beter is aan te sturen.

De overigen, die logischerwijze wel een fundamentele binding met ons land voelen, worden weliswaar elke vier jaar uitgenodigd om te stemmen, maar worden voor die verkiezingen vakkundig bespeeld en gepaaid met loze beloftes. Keer op keer scoren de partijen fraai in de (door overheidsinstituties vervaardigde) ‘modellen’, maar als het op leveren aankomt, blijken de modellen er naast te hebben gezeten, geven zij uitdrukkelijk niet thuis, of keren zich zelfs tegen de bevolking. De coronapandemie, de toeslagenaffaire, het klimaat, het milieu: allemaal zaken waar het landsbelang en belangen van burgers een marginale en soms zelfs ondergeschikte rol spelen, maar vooral dezelfde politieke elites in het centrum van de macht pogen te houden.   

En zo zijn we bij de ‘vijandige overheid’ uitgekomen. De ‘vierde macht’, het partijenstelsel en de ronduit misleidende politieke campagnes resulteren niet meer in representatie van het volk, maar een kleine, zelfbenoemde elite. Het kan anders en het moet ook anders, maar daarover een volgende keer.


Abonneer
Laat het weten als er
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties