Feitenvrij babbelen

Een aantal jaren geleden heeft de regering met de geldbuidel gerammeld om een aantal zieltogende onderzoeksinstanties van de dood te redden. Opdracht: ‘Grootschalig onderzoek naar het gebruik van extreem geweld tijdens de dekolonisatieoorlog in Indonesië’ waarbij Nederlandse troepen werden ingezet om de orde en rust te herstellen.

Als men het onderzoeksproces volgt zou je bijna stellen; jammer. De betreffende onderzoekers houden zich meer bezig met zoeken naar, praten over en schrijven van anekdotische informatie verpakt in een stuitend zelfreinigend vermogen en het meten van Nederlandse militaire activiteiten m.b.v. het huidige normen en waardepatroon, met deugen en cancellen. Niet a.d.v. feiten en ontwikkelingen geplaatst in omgevingskleuren van 75 jaar geleden.

Parade te Batavia 1947. Afb: Van Mook / Wikimedia

Het onderzoek naar het gebruik van extreem geweld strekt zich uit over inheemse opstandelingen en Nederlandse/KNIL militairen. Wanneer de gebruikte termen onder de loep genomen worden dan ademt de tekst een pro-Soekarno c.s. geest uit, want dekolonisatie of vrijheidstrijd is het bekijken van gewapend geweld vanuit een opstandelingen-standpunt en Indonesië als zelfstandige staat met de noodzakelijke instituties bestond toen nog niet. Die kwam pas in 1949 tot leven en werd in 1950 erkend. Mocht er in de Archipel inderdaad een Indonesische staat zijn geweest, dan maakte Nederland zich schuldig aan een gewelddadige interventie.

De tekst van de opdracht lijkt een uitnodiging te zijn voor het samenstellen van een propaganda document voor Soekarno c.s. als onderbouwing voor herstelbetalingen aan bewoners van het huidige Indonesië. Met die insteek lijken de onderzoekers de ontwikkelingen van 75 jaar geleden te willen benaderen.

De taak in de Archipel

Welke taken waren belangrijk binnen het raamwerk van herstellen en behouden van orde en rust? Ontwapenen en afvoeren van de Japanse Strijdmacht op Java en Sumatra; verzamelen, op krachten en naar huis brengen van geïnterneerden en krijgsgevangenen in de Archipel en Zuidoost Azië inb. Japan; het in het gareel brengen en houden van Inheemse activistische en extremistische bewegingen en het genereren, verplaatsen en aanvullend trainen van de noodzakelijke strijdmacht. Het adequaat kunnen uitvoeren van die maatregelen stond en viel in de periode met het beschikbaar hebben van een goed functionerende strijdmacht, een politie en justitieel apparaat en de overtuiging dat die maatregelen niet volgtijdelijk maar gelijktijdig geconfronteerd met een plaatselijk en tijdelijke glijdende geweldsintensiteit op verschillende delen van Java en Sumatra uitgevoerd moesten worden.

Dat vroeg om zelfstandige eenheden met een eigen logistieke functie, die geharmoniseerd en plaatselijk en tijdelijk gesynchroniseerd en zelfs geïntegreerd moesten kunnen optreden. Dat betekende voor de Nederlandse krijgsmacht een omdenkproces, in het verlengde een ander operationeel concept, nieuwe tactieken en technieken. Door het ontbreken van een lenig denkende militaire top, een vastbesloten regering, geld en een wapenindustrie, ontbeerde het Nederland voor een dergelijk optreden aan een operationeel concept, tactische kennis en kunde, geweldsmiddelen, geweldsinstrumenten en een soepel functionerend logistieke functie. Wanneer de inzet van Nederlandse – en KNIL eenheden vanuit die invalshoek wordt benaderd, stonden die al op achterstand voordat de eerste gevechten op Java en Sumatra zouden starten.

Stappen op dun ijs

Wanneer “onderzoekers” uit politieke en financieel gewin denken een greep te moeten doen naar het militaire gebeuren om militairen aan het kruis te nagelen, is de (aangepaste) uitspraak van E.J. Perkins toepasselijk,: “clueless men about the grim realities of war”. De leiders van het onderzoek naar de gebeurtenissen in de periode 1945-1950 hebben de arrogantie dat zij als niet-deskundigen kunnen oordelen over de manier waarop Nederlandse militairen de opdracht van de toenmalige regering om orde en rust in de Archipel te herstellen en te bewaren. Het gevolg is een sterk subjectieve benadering die vol zit met onjuist gebruik van het militaire jargon, onjuiste schatting van sterkte, organisatie en uitvoering van de inheemse strijdmacht en het negeren van de toestand waarin de Nederlandse krijgsmacht en het KNIL direct na de capitulatie verkeerden. Net als bij de schattingen van het aantal slachtoffers tijdens de Bosnische burgeroorlog en de aanslagen op het World Trade Center goochelen zij zonder enige gene kwistig en ruimhartig met getallen[1].

Het narratief: geschiedvervalsing

Historicus Peter Romijn stelt dat Nederlandse militairen kwamen te staan tegenover milities “often armed with nothing more than clubs and spears[2] . Die werden volgens hem massaal gedood door Nederlandse brenguns waardoor na een confrontatie honderden doden zouden zijn achterbleven op het slagveld. Romijn bevestigt in zijn schriftelijke benadering herhaaldelijk geen kaas te hebben gegeten van militaire operaties, de gedachte er achter (het concept), de effecten van geografische kenmerken van de Archipel op operaties, de manier waarop geweldsmiddelen en geweldsinstrumenten ontplooid/ingezet worden (tactiek), reguleringen die worden toegepast om het gebruik van gewapend geweld binnen de perken te houden (Rules of Engagement) en de (on)mogelijkheden van de inheemse strijdmacht onder gevechtsomstandigheden zoals die in de periode 1945-1950 meer regelmaat dan uitzondering waren.

Had hij maar de moeite genomen om artikelen en vooral het boek van de meest bekwame, hoog gedecoreerde Indonesische militair, Generaal Nasution te bestuderen. Nasution, toentertijd achter in de twintig, was tijdens de – zoals de onderzoekers het verwoordden – “vrijheidstrijd”, commandant van de Siliwangi divisie. Die inspanning heeft Romijn niet gedaan en daarom is bij zijn beschrijving van “de worsteling van die arme inheemse opstandeling “ volgens Nasutions weergave van de toenmalige realiteit, de bodem onder zijn  beweringen weggeslagen. Omdat hem (en hij niet alleen, zo blijkt herhaaldelijk uit gepubliceerde geschriften) kennis en het inzicht in die materie ontbreekt, bedrijft hij geschiedvervalsing om een podium te krijgen. Had hij het maar gedaan dan was hij niet in de kuil gevallen die hij door zijn discutabele bewering voor Nederlandse en KNIL militairen gegraven heeft.

De Nasution Doctrine[3]

In een tweetal artikelen[4] en zijn boek “Pokok gerilja dan pertahanan Republik Indonesia/Fundamentals of Guerrilla Warfare” (1953/1961), blikt de voormalige Indonesische generaal Nasution terug op die roerige periode.

Tijdens de Japanse bezetting werd het inheemse deel van Nederlands-Indië op Java en Sumatra door de Japanse bezetter tot op kampong-niveau gemilitariseerd in Wehrkreise. Iedere kampong/dorp moest zichzelf kunnen verdedigen. Tienduizenden werden tijdens de bezetting door de Japanners militair getraind en er ontstond een strijdmacht van aanvankelijk twee miljoen personen, waarbinnen generatie 45 (de jeugd die in de Japanse tijd volwassen werd zoals Nasution, Simatupang en Soeharto)de harde kern vormde. In de loop van de strijd bleek zo’n grote strijdmacht die ook nog eens verspreid moest optreden, niet te sturen. Stapsgewijs werden slecht opgeleide, ideologisch te sterk gemotiveerde en/of slecht bewapende contingenten weg gesneden om uiteindelijk in de loop van 1947 een snel inzetbare en mobiele strijdmacht van ongeveer 160.000 goedgetrainde en bewapende strijders te kunnen ontplooien.

Toen die massa na de Japanse capitulatie ook de beschikking kreeg over wapens (toegeleverd door de Japanse bezetter, uit geplunderde Japanse arsenalen en zelf geproduceerde alternatieve opties) was de wedstrijd al voor een belangrijk deel gespeeld. De Nederlanders kwamen deels op onbekend terrein, vochten tegen een onzichtbare tegenstander die het ene moment boer, het andere moment militair was en de tactiek van de verschroeide aarde toepaste[5]. Bij te veel druk week men uit naar de bergen of verdween in de desa’s en gingen daar in de bevolking op. Ze hergroepeerden zich als de Nederlanders weer waren vertrokken.

Net als tijdens de Vietnam oorlog, de ontwikkelingen in Afghanistan en GWOT tegen AQ, IS, Taliban en andere extremistische islamieten, gold ook in de periode 1945-1950 dat je wel mensen kunt doden maar niet de gepassioneerde overtuiging genesteld in bevlogen leider of leiders en het volk dat hem of hen volgt.  In het interview dat hij op 29 februari 1992 aan het NRC heeft gegeven staat nog een aantal opmerkelijke uitspraken te lezen die een beeld schetsen van de wereld zoals hij die zag in de periode 1940-1945:  : “een leger dat de steun van het volk mist, heeft bij voorbaat verlorenje krijgt de vrijheid nooit als je het militaire aspect daarvan niet aanvaardt….als de oorlog opnieuw naar Java komt, zullen in grote delen van dit eiland geen geallieerde of Japanse troepen zijn. Daar moeten we als nationale beweging de rood-witte vlag hijsen, onszelf als derde partij proclameren en een nationaal leger opzetten… MacArthur en Mountbatten hadden de Japanners duidelijk gemaakt dat geen enkele organisatie die na de Westerse capitulatie was opgezet, erkend zou worden…de Hollanders beseften niet wat wij in de Japanse tijd (in militair opzicht) hadden geleerd; zij zagen in Soekarno, Hatta en de anderen de kern van de nationale beweging, maar ze vergaten mijn generatie, (generatie 45)…we zijn een geworden dankzij de Nederlanders; als er geen Nederlands-Indië  was geweest als deze grote geopolitieke ruimte niet door mensen als Van Heutz was verenigd was er nooit een Indonesië geweest…als de Japanners ons niet hadden geleerd te vechten, ons niet hadden gemilitariseerd, waren we nooit klaar geweest om de vrijheidstrijd te beginnen….

De uitspraken geven een inzicht in het wereldbeeld dat Nasution voor de toekomstige republiek voor ogen had. Tijdens de Japanse bezetting organiseerde Nasution samenmet Simatupangde inheemse strijdmacht onder het motto “een leger dat de steun van het volk mist, heeft bij voorbaat verloren”. Die multigekleurde strijdmacht was vanaf de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 al in staat om voor iedere strijdmacht die de vooroorlogse toestand op de Archipel wilde herstellen, de kosten hoger te maken dan de baten.

Niet zo zielig

De Nederlanders vochten tegen een breed scala aan tegenstanders: TNI, islamitische vechtgroepen als de Dar’ul Islam, communisten, garongs en rampokkers. Door de toepassing van door Nasution uitgedachte innovatieve guerrilla tactieken zouden de Nederlanders uiteindelijk uitgeput worden bij gebrek aan mensen en middelen. In retrospectief gezien was de situatie al vanaf augustus 1945 dermate dat de race was gelopen en de tijd tegen de Nederlanders zou gaan werken.

Volgens Professor mr. Natzir Said, de voormalige rechterhand van generaal Nasution: “Iedere militair weet: onder een Staat van oorlog worden mensen ter plaatse doodgeschoten. Dat is normaal. Standrechtelijke executies werden niet alleen door Westerling uitgevoerd, maar ook aan onze zijde. Heel wat spionnen van de Nederlanders zijn door ons doodgeschoten na een onderzoek ter plaatse. We omsingelden dan zo’n desa en als die mensen zeiden: ‘Hij is een mata-mate, spion van het KNIL….naar de boom”

Historie betekent dat je oude koeien uit de sloot haalt, maar dan moet je ook alle oude koeien uit de sloot halen (S.A. Lapre) en als dat wordt gedaan, moet dat op een wetenschappelijke manier gebeuren. Wetenschap heeft geen democratische karakter en het is zeker niet zo dat de meerderheid die een bepaalde mening of visie heeft, het bij het rechte einde heeft. Als Romijn en zijn vakgenoten dat denken, dan zijn ze te verdwaald om te beseffen dat ze niet met wetenschap maar met het samenstellen van een politieke-militaire versie van de fabeltjeskrant. In vakgebieden als natuurkunde, scheikunde en wiskunde hebben meningen, visies, overtuigingen, politieke, religieuze en ideologische denkrichtingen of gerechtelijke uitspraken geen enkele waarde; alleen logisch denken, experimenten en bewijsvoering kunnen leiden naar een juiste conclusie.

Op die manier had ook de opdracht van de Regering door de onderzoekers benaderd moeten worden. Dat hebben ze niet gedaan. Ze hebben de vijf principes van wetenschappelijk onderzoek tijdens hun onderzoek angstvallig buiten boord gehouden: geen eerlijkheid, amper zorgvuldigheid, zeker geen transparantie, geen onafhankelijkheid en weinig verantwoordelijkheid.


[1] Zie het antwoord d.d. 13 april 1977 van Dr. Natzir/Natsir Said/Saeed verbonden aan het Geschiedkundige Onderzoek der (Indonesische) Strijdkrachten van op een brief van Westerling van 8 maart 1977. Conclusie: geen 40.000 slachtoffers in Zuid-Celebes, maar hoogstens 256 en niet allen door Westerlings speciale eenheid.

[2] P. Romijn, Learning on ‘the job’: Dutch war volunteers entering the Indonesian war of independence, 1945- 1946. In: Journal of Genocide Research, 14: 3-4, 317-336. P. 328.

[3] Aangepast tekstdeel uit de uitgebreide uitwerking van Cees Somers in “De inzet van wapens tijdens de dekolonisatieperiode Nederlands-Indië. Republikeinse en Nederlandse strijdkrachten: een vergelijking”.

[4] NRC 29 februari 1992 p.6 De Stem, 26 augustus 1995, p. 6

[5] Zie de actie Bandung Lautan Api in maart 1946. Het terughalen van zijn divisie uit Bandung uit tactische overwegingen en het in brand steken van het zuidelijke deel van Bandoeng om zijn dilemma op te lossen dat was ontstaan door de opdrachten uit Batavia (Sjahrir) om te voldoen aan het Britse ultimatum om zijn divisie terug te trekken uit Bandoeng en Djokjakarta (Sudirman) om elke centimeter land te verdedigen. Door die actie was zijn naam gevestigd.


Abonneer
Laat het weten als er
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties