Waarom het islamdebat nieuwe begrippen nodig heeft

De reacties op mijn recente artikel “Niet islamisme, maar Mohammedanisme” laten zien hoe gevoelig terminologie kan zijn. Sommigen vonden de voorgestelde term verhelderend, anderen provocerend. Maar die discussie raakt aan een fundamenteler punt: in het publieke debat bepalen woorden vaak hoe we problemen begrijpen.

Politieke en maatschappelijke vraagstukken worden zelden eerst opgelost en daarna benoemd. Meestal gebeurt het omgekeerd. Eerst ontstaat een woord of concept dat een diffuus probleem zichtbaar maakt. Pas daarna kan er beleid volgen.

Ook in Nederland hebben woorden
soms onverwacht veel invloed gehad

In 1988 publiceerde ik in de Volkskrant een essay onder de titel “Migranten worden in Nederland doodgeknuffeld”. Het begrip “doodknuffelen” probeerde een paradox te beschrijven: beleid dat uit goede bedoelingen voortkomt, maar daardoor juist integratie kan belemmeren. Destijds was dat een controversiële stelling. Toch bleek het woord een gevoelige snaar te raken. In de jaren daarna werd het regelmatig gebruikt in discussies over integratiebeleid.

Een vergelijkbare ervaring had ik enkele jaren later met een ander concept. In mijn boek Het virus cultuurverschillen (1994) stelde ik dat immigratiebeleid niet alleen rechten moest regelen, maar ook verwachtingen. Nieuwe burgers moesten niet alleen welkom zijn, maar ook worden voorbereid op deelname aan de samenleving. In het laatste hoofdstuk werkte ik daarom het idee van een inburgeringsplicht uit.

Toen ik het boek presenteerde in Nieuwspoort, reageerde de toenmalige fractievoorzitter van de VVD, Frits Bolkestein, dat dit idee politieke aandacht verdiende. Enkele jaren later werd het concept daadwerkelijk onderdeel van het Nederlandse integratiebeleid. Wat begon als een theoretisch voorstel werd uiteindelijk wetgeving.

Die ervaring heeft mij één les geleerd: ideeën veranderen de werkelijkheid vaak pas wanneer ze een naam krijgen.

Spanningen met de  rechtsstaat

Het debat over islam, islamisme en radicalisering lijkt momenteel in een vergelijkbare fase te verkeren. Iedereen ziet dat er spanningen bestaan tussen bepaalde religieuze doctrines en de principes van een democratische rechtsstaat. Maar de terminologie waarmee we dat bespreken blijft vaak vaag.

We spreken over “radicale islam”, alsof het probleem vooral een kwestie van extremisme is. We spreken over “islamisme”, alsof het uitsluitend om politieke bewegingen gaat. Maar daarmee blijft een fundamentelere vraag soms buiten beeld: welke rol speelt het voorbeeld van de stichter zelf binnen de traditie?

Binnen de klassieke islamitische theologie wordt Mohammed gezien als al-insān al-kāmil, het volmaakte voorbeeld. Dat betekent dat zijn handelen niet alleen historisch van belang is, maar ook normatief kan worden geïnterpreteerd. Wanneer dat voorbeeld zowel religieuze als politieke betekenis heeft, ontstaat een complex spanningsveld met moderne staatsvormen.

Rol van stichter Mohammed

Daarom stelde ik voor om het debat analytisch scherper te voeren door te spreken over “Mohammedanisme” wanneer het gaat om doctrines die het handelen van Mohammed als normatief politiek model beschouwen. Niet als scheldwoord, maar als conceptueel onderscheid — vergelijkbaar met hoe politieke stromingen vaak worden aangeduid met een -isme wanneer zij zich beroepen op het gedachtegoed van een stichter.

Of die term uiteindelijk ingang vindt, is minder belangrijk dan de discussie die eruit voortkomt. Het doel van een nieuw begrip is niet om een debat te beëindigen, maar om het te openen.

Want uiteindelijk draait het hier om een vraag die elke democratische samenleving moet stellen: hoe verhoudt religieuze autoriteit zich tot democratische soevereiniteit? In moderne staten ligt de bron van wetgeving bij het volk en zijn vertegenwoordigers. Dat principe ontstond in Europa na een lange geschiedenis van religieuze en politieke conflicten.

Zoals politieke denkers van Baruch Spinoza tot Alexis de Tocqueville hebben benadrukt, kan religie een belangrijke morele kracht in een samenleving zijn. Maar zodra religieuze autoriteit aanspraak maakt op politieke suprematie, ontstaat een fundamenteel constitutioneel probleem.

Dat probleem verdient een open en rationeel debat

Niet om mensen te stigmatiseren, maar om ideeën te begrijpen. Democratieën blijven immers sterk wanneer zij moeilijke vragen niet vermijden, maar doordenken.

Misschien is dat uiteindelijk de belangrijkste functie van nieuwe woorden: ze dwingen ons om scherper na te denken over de werkelijkheid waarin we leven.


Prof. dr. David Pinto

Prof. dr. David Pinto, publicist,
Hoogleraar-directeur
Intercultureel Instituut-ICI,
Expert Inburgering,

Diversiteit en Inclusie (IDI)
www.davidpinto.nl
prof.davidpinto@gmail.com


David Pinto en Paul Cliteur zijn auteurs en redactievoerders van o.a. het boek ‘Moord op Spinoza‘, gepubliceerd door Aspekt Uitgeverij BV, Soesterberg.

(edit)

3.3 3 stemmen
Artikel waardering
Abonneer
Laat het weten als er

2 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Adri Ekstijn
14 dagen geleden

Interessant en toegankelijk.
Zo’n heldere uiteenzetting, zonder de mens en/of religie te verdoemen of te kwetsen.
Ik herken hierin de opzet van Shlomo Sand. https://en.wikipedia.org/wiki/The_Invention_of_the_Jewish_People
Bruggen slaan ipv kapot maken!

Dank voor uw bijdrage.

Peter Rijs
28 dagen geleden

David,

Als iedereen zou begrijpen wat de “bestaande” woorden betekenen zouden we geen “nieuwe woorden” nodig hebben. De islam is al voor een groot deel een “woordenspel” en de werking en ware aard van dit systeem word op deze manier alleen maar onduidelijker.
Nieuwe woorden en begrippen worden als narratief neergezet om te benadrukken dat terroristen, extremisten en radicalen geen moslims zijn, of in ieder geval de ware islam niet volgen..
Zo zal elke moslim roepen dat hij tegen terrorisme is en dat komt omdat deze term binnen de islam geen betekenis heeft. Vraag dezelfde moslim of hij tegen jihad is en hij zal niet zo snel tegen zijn. Ook is het bij de islam van belang om te weten wat een moslim mag zeggen, en wat niet. Hij mag niet kritisch zijn op zijn eigen geloof maar mag wel liegen wanneer dat geloof in “gedrang” komt. Dus elke vraag en elke antwoord moet gewogen worden aan de hand van de islamitische regels en de bestaande woorden.
 
Als het in belang van de islam is zal daarom elke moslim meegaan met onze nieuwe woorden en zijn afkeur uitspreken tegen alles waar wij mee komen. Gebruiken wij echter “zijn” woorden dan heeft hij maar twee keuzes, liegen of kleur bekennen.  
 
Kortom het is belangrijk om de core islam te begrijpen en dat kan alléén door de bestaande woorden te lezen en te gebruiken. Alléén op die manier kunnen we de problemen met de islam herkennen en er wat aan gaan doen.